HOME - NIEUWS - HISTORIE - BESTUUR - LID WORDEN - LINKS - GASTENBOEK - THEMA


"Twee meisjes", Rebellie op Sint Philipsland

Zierikzeesche Nieuwsbode 13 maart 1875
Verslag van de zitting van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland, inzake de bewuste rebellie te Sint Philipsland.

Na een uitstel van enige weken kwam thans op Donderdag 11 Maart 1875 de zaak der 34 beschuldigden van St.-Philipsland voor. Het was geen onaardig gezicht zoo 'n tal van beschuldigden, mannen en vrouwen, daar neergezeten te zien, om af te wachten wat het recht hun zou toebedelen.

Twee beschuldigden waren afwezig Tegen een van deze, Jannetje Faasse die de vorige maal ook afwezig was, is thans door het Openbaar Ministerie, waargenomen door den Advocaat Generaal Mr. Nes van Meerkerk, geëist, wegens weerspannigheid aan de wet , veroordeling in de kosten en inhechtenisneming. De verdediger, Mr. E. Fokker, verzocht , zoo het. hof daartoe mocht overgaan, deze inhechtenisneming zoo kort mogelijk vóór het verhoor te doen plaats hebben.

Een vijftiental getuigen, van. welke de laatste vijf op verzoek van den verdediger zijn opgeroepen en verschenen, te weten M. C. van Elsäcker, C.H. van der Horst, F. Aarts, G. Boogaard, A.P. Huijssen, P.M. Huijssen, A. Grootenboer, F.C. Everaers, D. Everaers, A. Kosten, ( J. Geluk, W. Meijer, K. Quist, A. Krijne, G.K. de Graaf.)

De zaak, waarvoor de beschuldigden opgeroepen waren, had zich in ’t kort, als volgt toegedragen: Op 11 Juni 1874 begaf de eerste getuige M. C. van Elsäcker, deurwaarder te Tholen, zich naar St. Philipsland om de ontruiming te doen plaats hebben van de woning, betrokken door de dames Everaers. Aangezien het bleek dat het min of meer te voorzien was dat deze ontruiming zoo gemakkelijk niet zou plaats hebben, had bovengemelde deurwaarder hulp gezocht en ook verkregen bij den brigadier van der Horst en den rijksveldwachter Aarts, welke laatste - terwijl de deurwaarder zich in de woning der dames begaf - zich begaven naar het achterdeel dierzelfde woning. De deurwaarder, die blijkens getuigenverhoor, zoo bedaard mogelijk zich van zijn plicht trachtte te kwijten, moest van de dames horen dat zij eerst den burgemeester wensten te spreken, alvorens zij de woning verlieten. Door middel van den gemeenteveldwachter gaan boodschappen wederzijds, totdat de burgemeester in persoon bij de dames aankwam. Bij zijn aankomst was hij zeer toornig en opgewonden en zeide in bijzijn van de twee rijksveldwachters dat hij zo’n barbaarsche handeling nog nooit gezien had, noch hier, noch in Indië en gelastte dadelijk de ontruiming te staken. Hieraan werd echter geen gevolg gegeven; meer en meer personen voegden zich voor de deur, blijkhaar met geen goed doel, hetgeen blijkt uit de verklaring dat zekere Geense op waarschuwing van den deurwaarder, zeide: Een paar dagen in de kast doet er zooveel niet toe; we zijn hier wel met 200. Deze Geense moet telkens wenken aan het volk gegeven hebben, waarop die opnieuw poogde in te dringen.



Toen de ontruiming klaar was begaf de burgemeester zich met de deurwaarder en de beide rijksveldwachters naar het kamertje waar de dames zich ophielden en eiste op plechtige wijze van haar: ‘in naam des Konings’ dat zij het huis zouden verlaten. Dit deden zij echter niet, waarop de burgemeester zei zijn plicht gedaan te hebben en gelastte haar uit het huis te zetten. Het volk was intussen niet rustig gebleven; de drank had veler gemoederen opgewekt en veler armen ogenblikkelijk kracht gegeven, zodat het in betrekkelijk korten tijd het goed weder in huis had gebracht. Een paar getuigen verklaren dat zij den burgemeester een teken aan het volk hebben zien geven, dat zooveel beduidde als dat zij verlof (toestemming) hadden het goed er weder in te brengen.

A(driana) Grootenboer wilde inmiddels door den gemeenteveldwachter (Gerardus) Boogaard een briefje naar de gezusters Everaers zenden, met het doel tot schikking, hetgeen bedoelde gemeenteveldwachter, schijnbaar uit vrees voor den burgemeester niet durfde brengen, waarop dit geschied is door de kleindochter van de weduwe Everaers-Grootenboer, welk briefje echter ongeopend door de dames is teruggezonden.

Een schikking werd daardoor dus onmogelijk; echter nadat alle goederen weder in de woning gebracht waren kwam schikking tot stand, die door den deurwaarder geschreven werd en waarbij de burgemeester als gemachtigde van de dames is opgetreden. Zie hier in ’t kort het verhaal van de geschiedenis, die door de verschillende verklaringen der gehoorde getuigen meer uitvoerig zal worden.


De Voorstraat in het begin van de vorige eeuw. In het eerste huis rechts was Levinus Hendrikus Marinus Geense in 1874 broodbakker.

Getuigenverhoor
Na het lezen van de acte van beschuldiging begon het getuigenverhoor. De eerste getuige, (deurwaarder van) Elsäcker verklaarde wat wij reeds gemeld hebben. Ook zou de burgemeester tegen den deurwaarder gezegd hebben: “Ik waarschuw je, de gehele gemeente komt in opschudding.” Volgens dezen getuige, zouden de dijkwerkers er van geweten hebben en zou er jenever zijn geschonken, waardoor het oproer begonnen is. Deze getuige herkende ook de meeste der aanwezige beschuldigden. De meesten hadden wat in huis gebracht, maar bekenden dat zij dit niet gedaan hadden in de mening dat de schikking reeds had plaats gehad, of dat het was geweest het goed van zekeren Kooman. Deze had een rolletje matten bij het boeltje gezet, gene had een stoof binnengebracht; een ander had niets in huis gebracht, maar door het raam er in gelegd. Weer een ander had er wat ingebracht, maar zoo weinig dat zij niet meer wist wat het was geweest; nog een ander had er maar naar gekeken, waarop de Voorzitter te kennen gaf, hoe gevaarlijk het is naar zoo iets te kijken; weer een ander had er een kistje ingedragen op langdurig verzoek, maar had tot (deurwaarder) van Elsäcker gezegd, toen hij zag wat er aan ’t handje was: “Neem mij niet kwalijk, ik wist van de gansche zaak niets af”. T(eunis) Bossers, die beschuldigd werd den Rijksveldwachter met de vuist gedreigd te hebben, betuigde dat hij hem gewaarschuwd had de Burgemeester niet te beledigen, nadat deze tot den Rijksveldwachter had gezegd: “Zet het goed wat zachter neer”, waarop de laatste geantwoord moet hebben: “Loop naar de bliksem, ik heb niets met je te maken” . De beschuldigde burgemeester wederlegde een en ander.


Het pand in de Voorstraat dat in 1874 werd bewoond door de twee dochters van ds. S.J. Everaers. Vanaf 1879 gingen Douanes Everaers en zijn vrouw Janneke Everaers-Geense hier het brood bakken.

De getuige: brigadier van der Horst getuigde onder meer het volgende: “Er werd drank geschonken; zoodra hij buiten kwam, ging de fles en het glas omhoog, gepaard met een hoera voor den burgemeester, die in ‘t midden van ‘t volk stond. Hij heeft hulp van de burgemeester ingeroepen, maar heeft zich daadwerkelijk in de uitoefening van zijn ambt tegengewerkt gezien. Ook heeft dezen gezien dat er opgewondenheid is verwekt tegen rijksveldwachter Aarts, begonnen door het gezegde van den burgemeester: “wat doe jij hier”. Deze getuige (Van der Horst) heeft Aarts aangeraden niets tegen den burgemeester te ondernemen, maar bedaard te blijven. Naar aanleiding van dit getuigenis, waarbij ook verschillende personen aangewezen worden van goed in huis te hebben gebracht, gevoelt zekere Reijngoudt zich zeer verbaasd onder deze ook te behoren, zegt volstrekt niets in huis gedragen te hebben en dat er nóg verschillende Reijngoudts zijn.

Hierboven genoemde Bosser(s) zegt, op de verklaring van de getuige Van der Horst, dat hij herhaalde malen zijn vuist tegen Aarts heeft opgeheven, volhoudende dat zulks niet waar is.

De burgemeester verklaart dat hij, als hij geweten had welk een gevolg die zaak zou hebben, de militaire macht uit Bergen op Zoom zou hebben ontboden. Hij had dit nu niet gedaan omdat hij onbewust was van de gevolgen. Ook was het uitdelen van jenever hem onbekend, hij heeft volgens zijne verklaring zelfs de herbergen opdracht gegeven te sluiten Verder verklaart hij dat hij niet wist wat te doen, nu hij zonder politie stond, omdat F. Aarts (uit Anna Jacobapolder) de deurwaarder hielp.

Volgens den getuige F.Aarts (rijksveldwachter) zou de burgemeester tot dezen gezegd hebben: Wij zullen al gauw een grapje hebben. De woning van de dames Everaers zal ontruimd moeten worden enz., ik zal je een briefje zenden blijf dan maar weg. Toen nu Aarts wel aanwezig was, zou de burgemeester gezegd hebben: “mannetje, mannetje, ik had niet verwacht dat je je woord niet zou houden”, waarop Aarts gezegd heeft: “Als jou burgemeester van hooger hand iets gelast wordt, moet je het ook doen” Dat woordje ‘jou’ scheen den burgemeester niet te bevallen, hetgeen blijkt uit hetgeen de burgemeester moet hebben trachten te doen betreffende het salaris van genoemden rijksveldwachter.

(Dingeman van) Blooijs en Moeliker moeten gezegd hebben tot Aarts: “Als ik je alleen vindt, sla ik je dood”. Volgens getuigenis van dezen Aarts heeft hij nooit moeite in de gemeente gehad vóór dien dag. Ook verklaart hij dat de mensen meenden recht te hebben tot weder indragen door den invloed van den burgemeester.

Von Staedel zegt dat deze verklaring verre beneden de waarheid is. Hij zou tot Aarts gezegd hebben: “kom in ’t dorp, wij zullen surveilleren, rust en orde bewaren. Met betrekking tot het salaris van Aarts betuigt hij dat die niet zou gaan uit privaatbeurs van den Gemeente-Ontvanger, maar uit de gemeentekas.

De getuigenis van den gemeenteveldwachter Boogaard schijnt min of meer dubbelzinnig te zijn, daar de Voorzitter hem waarschuwt dat hij zich in moeilijkheden begeeft en geeft hem den raad zich te bedenken.

De getuigenis van de dames A.P Huijssen en P.M. Huijssen komen op hetzelfde neer: Zij hebben beiden op straat gestaan en gezien dat de Burgemeester een buigen tot het volk maakte, die zooveel wilde zeggen als: “Gaat je gang”.

De Burgemeester verklaart dat die getuigenis geheel bezijden de waarheid is en dat (hoofdonderwijzer) Verhage en zijn vrouw (deze getuige) van den beginne af de familie van den beschuldigde in moeilijkheden heeft trachten te brengen.

Tot zover het getuigenverhoor van Donderdag. Heden Vrijdag is het verhoor der overige getuigen afgelopen. De advocaat Generaal heeft gerequiteerd tot schuldigverklaring van 26 beklaagden en hunne veroordeling tot eene tuchthuisstraf van 5 tot 10 jaar; - voor den burgemeester eene tuchthuisstraf van 5 tot 15 jaar, en voor zeven beklaagden tot vrijspraak.

Morgen is het woord aan den verdediger der beklaagden (In ons volgend nummer zullen wij van een en ander een uitvoerig verslag geven.)

Zierikzeesche Nieuwsbode 16 maart 1875
Verslag van de zitting van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland, inzake de bewuste rebellie te Sint Philipsland.

Uit het getuigenverhoor, dat Vrijdag is voortgezet, vermelden wij het volgende:
De getuige A(driana) Grootenboer heeft den 5 den Junij (1874) een brief ontvangen van den heer Fokker uit Zierikzee, waarin deze vroeg of er uitvoering moest gegeven worden aan het vonnis tot uitzetting der dames Everaers uit hun woning. Daarop schreef de zoon van deze getuige een briefje aan zijn tantes tot schikking. De gemeenteveldwachter Boogaard durfde dit uit vrees voor den burgemeester niet te brengen, ofschoon hij het hier mooi vond, waarop een kleindochter der getuige dit briefje bracht. De tantes wilden het niet inzien, maakten den vader van de brengster uit voor al wat lelijk was en wilden van geen schikking weten. Daarop is aan de den heer Fokker geschreven, dat de ontruiming nu moest plaats hebben.(Wij herhalen dit omdat het ons voorkomt dat in het vorige gedeelte van ons verslag de schikking voorgesteld is op denzelfden dag der opschudding). Voor de woning van dezen getuige heeft op den dag der ontruiming een oploop plaats gehad, waarbij de burgemeester geroepen is, die het volk aanspoorde tot stilte, en daarin ook slaagde. De ontruiming geschiedde intussen; dit klaar zijnde eiste de burgemeester, in naam den Konings, dat de meisjes de woning zouden verlaten, hetgeen zij niet deden. Gedurende dien tijd was het goed weer binnengebracht, waarop de burgemeester naar A. Grootenboer is gegaan met de vraag, of hij nu de meisjes bij de haren er uit moest slepen. “Zoo wreed niet” was het antwoord geweest. Toen ten slotte de beweging al erger en erger begon te worden, en nadat door het volk de goederen weder binnen gebracht waren, is op aanraden van een der zonen van de getuige A.Grootenboer een schikking tot stand gekomen.

De getuigenissen van F(rederik).C(ornelis) Everaers en D(amis) Everaers behandelen dezelfde bijzonderheden.

De getuige A.Kosten, schoenmaker en herbergier, deelt mede, dat hij uit eigen beweging, toen hij zag dat het te erg liep, zijn herberg heeft gesloten; dat toen de burgemeester later bij hem kwam en dit ziende, gevraagd had aan Kosten: waarom hij zijn herberg gesloten had, of hij dit goed vond op welk bevenstigend antwoord de burgemeester gezegd had: dan zal ik de andere herbergen ook laten sluiten. Bij dezen getuige zijn door Kooman¹ 1½ kan jenever in persoon gekocht, later zijn op naam van denzelfden nog flesschen jenever gehaald door ’t volk. Welke allen door Kooman zijn betaald. Kooman heeft verder zijne goederen in het huis van Kosten laten brengen om daar met vrouw en kinderen nachtverblijf te houden; toen echter de schikking tot stand is gebracht, is het goed ongeveer 8 uur des avonds weder teruggebracht.

Een der volgende getuigen à décharge vermeldde dat door hem gehoord is dat de Burgemeester gezegd heeft tot het volk: menschen, brand je vingers niet, in naam des Konings ik gelaat je er af te blijven. Volgens deze getuige moet het zolderraampje, waar voor de burgemeester gezegd wordt een buiging gemaakt te hebben tot het volk, uithoofde van de dik begroeide bomen, die er voor staan, niet gezien kunnen worden, als men midden op de straat staat.

Na het horen der getuigen wordt de eerste beschuldigde L.H.M. Geenssen ondervraagd; deze ontkent iets vooraf van de zaak geweten te hebben; ook heeft hij volgens zijne verklaring niet gewenkt, noch opgedrongen, maar heeft al dien tijd als vastgenageld aan den ingang der deur gestaan. De voorzitter wijst deze er op hoe hij beschuldigd wordt als zijnde het hoofd dezer bende, dat hij zich willens en wetens verzet heeft en hoe zulks ook blijkt uit de uitdrukkingen door hem gebezigd als: ’t goed zal er niet uitkomen of ’t komt er weer in”.

De beschuldigde C(ornelis) Romijn zegt binnengedragen te hebben, maar zulks gedaan hebbende, denkende dat het goed van Kooman¹ was.

De beschuldigden Abraham Nelisse, H.J. Verwijs, W. Nelisse, S(ara) Meijer, N(eeltje) Verwijs, Margaretha den Houter-Kempeneers, Jan Maan de Kok en Johannes Hengstmengel, moeten allen in meerdere of mindere mate goederen in huis gebracht hebben.

De beschuldigde Willem Moeliker ontkent gezegd te hebben tot den brigadier van der Horst: “Als jij klaar bent beginnen wij”, alsmede tot den Rijksveldwachter Aarts: “Als ik je alleen vindt, sla ik je dood”. Moeliker ontkent verder goederen te hebben binnengebracht, alsmede Aarts een stomp te

hebben gegeven. Een der raadsheren wijst op het onwaarschijnlijke dat tien menschen tegen een zeker loon hun werk zouden verlaten om nota bene twee kisten uit de herberg naar een ander huis te brengen en daar den ganschen dag op te passen. De beschuldigde zegt: “Als u mij een daggeld geeft, wil ik ook wel hier blijven”.

Tot de beschuldigden, die mede hun werk hebben verlaten en goederen hebben ingedragen behoren verder Pieter Kempeneers, Pieter Aarnoudse, er bij komende toen ze reeds begonnen waren met indragen: Adriaan Kaashoek (later gemeenteveldwachter te Brandwijk) Tannetje de Ruijter, Cornelia Caron en Adriana Verwijs-Bolier.


‘De Abdij of het Hof van Zeeland te Middelburg’ in 1746. “Het was geen onaardig gezicht zoo 'n tal van beschuldigden, mannen en vrouwe, daar neergezeten te zien, om af te wachten wat het recht hun zou toebedelen”.

Omtrent Gillis Kempeneers kunnen de getuigen Elsäcker en Boogaard niets met zekerheid verklaren, doch de getuige Aarts heeft hem niet goed gezien. De beschuldigde ontkent iets gedragen te hebben. Schippersknecht A(nthonij) van den Berg heeft wel binnengebracht, maar zegt niet te weten dat hij daaraan kwaad deed, maar dit bemerkende, tot Elsäcker is gegaan met de bekentenis dat hij er spijt van had, want dat hij niet wist wat er eigenlijk gaande was.

Cornelis van Dijke Mach.zn zegt niets binnengebracht te hebben. Teunis Bossers ontkent binnen te zijn geweest. Hij heeft aan de ingang van de deur gestaan in de voormiddag, onder het uitdragen, ook ontkent hij Aarts beleedigd te hebben. Ook Dingeman van Blooijs, Adriaan Kunst, J. Beurkens, A. Reijngoudt, A. de Graaf J.zn , J. Faasse, Neeltje de Rooij, A. Kramer en J. Kosten ontkennen het hun ten laste gelegde of zeggen gedragen te hebben, maar eerst toen zij dachten dat het huis ingehuurd was.

Tenslotte kwam het woord aan den Burgemeester van Sint Philipsland, den heer Von Staedel. De Voorzitter wijst hem er op hoe alles gebeurd is, terwijl hij burgemeester was. In ’t kort delen wij mede wat deze beschuldigde van medeplichtigheid aan rebellie te zijner verdediging aanvoert. Hij zou den Deurwaarder te zijnent (tot zich) geroepen hebben om hem aan te raden ten 9 ure te beginnen, als wanneer het volk op het veld was. Nu was het met schoftijd juist te huis.

Dat er moeilijkheden zouden komen wist hij niet zeker, maar hij achtte het toch niet onmogelijk. Hij had tot Aarts er niet van gesproken als van een grapje, integendeel hij zegt nadrukkelijk geheel den dag zijn plicht gedaan te hebben; hij had gelast de ontruiming te staken en gezegd; “Ik sta voor niets in, en er zal opschudding in de gemeente komen” omdat het volk reeds bij elkander stond en hij geheel alleen was zonder politie; hij had in de nabijheid geen militaire macht, hij stond geheel alleen; “Mocht ik” zegt de beschuldigde “gedwaald hebben toen ik bevel gaf de ontruiming te staken, dan heb ik dit gedaan om geen stoornis in de gemeente te veroorzaken”. Op de vraag van den Voorzitter waarom hij geen goedwillige om hulp gevraagd heeft, antwoordde hij, dat hij dit niet raadzaam keurde in een spanning, zoals er op deze ogenblikken bestond. De beschuldiging als zou hij tot Aarts gezegd hebben; “mannetje, mannetje, dat had ik niet van je verwacht, dat je je woord niet zou houden”, zegt hij wel gebruikt te hebben, maar in een geheel anderen zin en wel in deze: Toen den burgemeester tot Aarts had: “je moet me helpen”, had Aarts gezegd: “goed, maar uitdragen doe ik niet, dat heb ik ook niet gedaan toen ik marechaussee was…… nu ziet den burgemeester Aarts wel bezig aan ’t uitdragen en daarom voegde hij hem de woorden toe: “Mannetje, mannetje, ik had niet gedacht enz. Op het gezegde van den Voorzitter dat hij nu genoeg geschermd heeft met zijn “in naam des Konings” zegt de beschuldigde deze uitdrukking wel gebezigd, maar er niet mede geschermd te hebben. Kortom, een en ander wordt door hem bedaard en duidelijk wederlegd, totdat hij tenslotte zegt dat hij hier staat als doodonschuldige, die in een verwaarloosde gemeente alt St.-Philipsland alles gedaan heeft om haar er zoveel mogelijk bovenop te helpen; toen voor een paar jaar een klacht vanwege de gemeente aan Z.E. den Commissaris des Konings in Zeeland ten zijnen laste was ingediend geworden, waren de heeren Lambrechtsen en Snouck Hurgronje, leden van Ged. Staten, overgekomen om de zaak te onderzoeken en hebben de loffelijkste schriftelijke verklaring achtergelaten, dat hij volkomen zijn plicht gedaan had, en zou men nu, zegt spreker, moeten denken, dat ik maar niet aan mijn vrouw en zeven kinderen zal denken, als ik op eene wijze, zoals voorgesteld is, twee meisjes ga helpen, die ik wel ken, maar die volstrekt geen familie zijn? Wat hij gedaan heeft is datgene wat zijn medelijdend gevoel hem gezegd heeft te doen. Overigens heeft hij den ganschen dag orde en rust zoveel mogelijk gehandhaafd. Op verzoek van den verdediger geeft spreker nog een uitleg van de partijzucht of verdeeldheid die op St. Philipsland heerscht

Het openbaar Ministerie, waargenomen door den advocaat-generaal Mr. N.H. van Nes van Meerkerk, acht het feitelijk bewezen dat hier rebellie heeft plaats gehad; de vraag is nu maar: Hebben de 32 beklaagden zich daaraan schuldig gemaakt en is de burgemeester medeplichtige in die zaak. Volgens zijne mening is van de beschuldigden 4, 5, 20, 25, 27, 32 en 33, waarom het O.M. voor dezen ook vrijspraak zal requireren. De schuld van de overigen is buiten alle twijfel. De voorgewende verontschuldiging als zouden zij niet gewaarschuwd zijn, is van geene betekenis, daar hiervan niets afhangt in dit geval. Ook blijkt uit het getuigenverhoor dat hier aan een voorafgaand beraamd plan te denken valt, en ook al ware dat het geval niet, dezelfde straf zou toch geëischt moeten worden. Aan die rebellie hebben allen (uitgezonderd de eerste zeven) in meerder of mindere mate deelgenomen. Voorop dienen geplaatst te worden (L.H.M) Geensen, die de aanvoerder geweest is, (Dingeman van) Blooijs, die een stomp aan den veldwachter heeft uitgedeeld, en (Teunis) Bossers, die met een vuist gedreigd heeft. Alle overigen zijn even schuldig. En wat de schuld van den burgemeester betreft, die is luce clarius (zonneklaar) bewezen. Het Openbaar Ministerie acht hem den schuldigste van al die daar zitten. Het requiteert op grond van tal van artikelen vrijspraak voor de zeven genoemde, voor de overige 26 een tuchthuisstraf van 5 tot 10 jaar en voor den burgemeester tuchthuisstraf van 5 tot 15 jaar, benevens de kosten, desnoods bij lijfdwang te verhalen.

De zitting van Vrijdag is geëindigd. Morgen is het woord aan den verdediger der beschuldigden Mr. E. Fokker.


‘Jacoba Cornelia Everaers tr. Op 26 aug. 1932 met Paulus Wiskerke. Ter gelegenheid daarvan werd tegenover de woning aan de Stationsstraat deze foto gemaakt. Naast het bruidspaar staat moeder Janneke Marina Everaers-Geense. Op de achterste rij staat Sam Everaers met op zijn arm zoon Jan.

Zaterdagmorgen was het woord aan Mr. E. Fokker den verdediger der beschuldigden. De beschuldigden hadden zich verwijderd, alleen de Burgemeester was aanwezig, die evenwel tijdens de zitting ook vertrok.

Spreker begon met te zeggen dat hij nu iets langer dan gewoonlijk de aandacht van het Hof zou verzoeken, zoowel wegens de belangrijkheid der zaak als door de uitgebreidheid der stof, temeer aangezien er niettegenstaande de flinke en uitgebreide instructie er toch nog veel onduidelijks overbleef. Hoewel de Burgemeester, eerst de 34ste beschuldigde is, acht spreker toch diens zaak eerst te moeten behandelen.

In de eerste plaats ontkent de spreker dat hier executie heeft plaats gehad tengevolge van een vonnis dat ingewijsde is geëxecuteerd (veroordeeld) en dat geschiedt is na een wettige wijze betekend te zijn. Neemt het hof dit aan, dan moet dit natuurlijk leiden tot vrijspraak.

De onaangenaamheden in de familie Everaers was een zaak geworden, waarmee de geheele gemeente bewogen was; de uitslag der procedure gaf St.-Phlipsland aanleiding tot allerlei belachelijke toonelen en was de grondtoon van alle gesprekken. De uitslag der procedure was gansch niet in den geest van de proletariërs (allerarmsten) van St.-Philipsland, in ’t kort, er kwam een gespannen verhouding en daarbij kon men ongeregeldheden vooruit zien op den dag dat de executie zou plaats hebben. Ongeregeldheden zijn altijd onaangenaam, maar dubbel zo onaangenaam zijn ze in een plaats waar men maar één veldwachter tot zijn dienst heeft; er moet dus met beleid gehandeld worden. Wat zal de burgemeester nu doen?


Als de Deurwaarder zal komen, zal hij vragen om ten 9 ure te beginnen, dan is ’t volk naar ’t werk. Vandaar het verzoek van den Burgemeester dat de Deurwaarder eens bij hem zou komen.

Als de Deurwaarder zal komen, zal hij vragen om ten 9 ure te beginnen, dan is ’t volk naar ’t werk. Vandaar het verzoek van den Burgemeester dat de Deurwaarder eens bij hem zou komen. Deze voldoet daaraan niet tegen verzoek en gewoonte in, hetgeen den Burgemeester in zijn plannen stoort. Hij, eerste magistraatspersoon, vertegenwoordiger des Konings in die gemeente, hij moet den Deurwaarder gaan opzoeken; is het nu te verwonderen, dat hij, Oost Indië ambtenaar, en daarbij driftig van nature, in opgewonden, toornigen toestand bij de dames Everaers aankomt? Dat hij de woorden gebruikt: “zoo’n barbaarsche handeling nog nooit gezien had, noch hier, noch in Indië”, en last geeft de ontruiming te staken. Hij had als hoofd van de politie recht zoo te handelen, jammer dat hij niet krachtiger van zijn macht gebruik heeft gemaakt! Daarbij was hij in den toestand van iemand, die ongeregeldheden voorzag en deze wilde voorkomen met een zoet lijntje; hij liet de herbergen sluiten en verbood het gebruik van jenever enz. Toen de ontruiming nu had plaatsgehad, gelastte den Burgemeester aan de meisjes den woning te verlaten, hetgeen aanleiding gaf tot het schoone toneeltje op het zolderkamertje.

In dien tusschentijd kwam er buiten rumoer; de burgemeester, onthutst, begeeft zich naar beneden en zegt: “terug mannen!” Daarna begeeft hij zich weder naar boven en ziende dat de meisjes het kamertje niet wilden verlaten, bleef er niets over dan de executie te staken of macht in te roepen, in het laatste geval was hij bang voor de woning van (de weduwe Adriana Everaers) Grootenboer. De houding van de Burgeneester (von Staedel) valt niet te wraken; de uitvoering van zijn goed ingericht plan de campagne liet wel wat te wensen over.

Von Staedel, zoon van een luitenant-kolonel van de dragonders, verliet reeds vroeg zijn vaderland om als vrijwilliger te dienen maakte den Belgischen veldtocht (1830-1831) mede , waardoor hij versierd is met het Metalen Kruis, werd instructeur op Meester Cornelis en kwam later weer in ’t vaderland terug, waar hij zijn tijd niet in ledigheid wilde doorbrengen en zo het genoegen had burgemeester van Sint Philipsland te worden. Dit bleek hem weldra een ramp te zijn; meermalen hadden er vrij heftige tooneelen plaats, zoo zelfs dat er een petitie uitging aan den Commissaris des Konings van eenige ingezetenen opgesteld door den onderwijzer Verhagen, echtgenoot van een der twee dames Huijssen, getuigen in deze zaak, met verzoek tot schorsing van den burgemeester.

Gedeputeerde Staten deden echter onderzoek en het bleek dat de burgemeester volkomen in zijn recht was. Zie hier wat een staaltje van onaangenaamheden, die hij er te verduren heeft. In principe zijn de plannen van den burgemeester goed, de maatregelen zijn wel wat ruw, waardoor de uitvoering dikwijls niet de gewenste is. Dit is ook hier het geval. Ware er sprake van misdadige handelingen, zo zou het wat anders zijn, maar daar dit het geval niet is, zal pleiter concluderen tot vrijspraak.

Daarop ging spreker voet voor voet de acte van beschuldiging na en ontwikkelt de volgende punten: Eerstens is pleiter het eens met het O.M. dat het er niets toe of afdoet of het een vroeger beraamd plan is of niet; het gesprek tussen Aarts en den burgemeester wordt niet bevestigd van buiten af. Het berust alleen op de getuigenis van Aarts. Dat de brigadier het wist, omdat Aarts het hem gezegd had, kan toch niet leiden tot bevestiging; het deurwaardersrelaas kan niet tot bewijs dienen, het is volgens pleiter geen gewoon procesverbaal. Het getuigenis van Aarts acht pleiter weinig vertrouwbaar; Aarts ziet alles door een donkere bril, zoo zegt Van Elsäcker: “Het volk was opgewonden”. Aarts zegt: “het was erg dronken”. De drie eerste getuigen hebben gehandeld tegen de gemeentewet en zou het niet mogelijk zijn dat deze, nu zij hun plicht niet gedaan hebben, de schuld trachten te werpen op den burgemeester?

In geval er ongeregeldheden verwacht kunnen worden moet de burgemeester maatregelen ter voorkoming nemen als hoogste autoriteit. Als de burgemeester den deurwaarder nu gelastte de ontruiming te staken moet deze dit doen, hij kan zich later bij den Commissaris des Konings beklagen. De deurwaarder gehoorzaamt niet, de rijksveldwachter en de brigadier helpen de deurwaarder in plaats van den burgemeester te steunen. Zij dragen uit, zij zijn niet in hun functie, zij zijn eenvoudigweg dienaars van den deurwaarder. Zij hielpen omdat het volk niet wilde helpen.

Zoo dikwijls een beschuldiging steunt op getuigenis van Aarts, is deze volgens pleiter zonder bewijs. Volgens Aarts zou de burgemeester dien dag niets goeds gedaan hebben; alleen, hij zou alles gedaan hebben om de zaak in de war te sturen.

De deurwaarder voldoet niet aan den last van den burgemeester, deze wordt toornig, dat misschien niet goed is van een Koningsambtenaar. Dit is de grootste fout van den burgemeester is, den deurwaarder niet genoodzaakt te hebben om te gehoorzamen.

’t Is half vier in den namiddag. Thans heeft het schoon toneel op het zolderkamertje plaats. De dames Everaers zitten evenals vroeger Job op de mestput, op een bos stroo; de burgemeester, in ’t volle gevoel van zijn waardigheid, gelast haar de woning te verlaten, maar zij, hardnekkiger dan Job, wilden niet. Intusschen meent de volksmenigte dat er schikking tot stand gekomen is; het goed wordt langs alle zijden er in gedragen, de schrik slaat den deurwaarder en den burgemeester om het hart; de laatste gaat naar beneden, ziet de enige hem getrouw gebleven politiedienaar Gerardus Boogaard en zegt tot dezen: “Boogaard, er mag niets in.”. Verder wijst spreker (Fokker) op de negatieve beschuldigingen, die den burgemeester worden ten laste gelegd, vooral deze: “Als de burgemeester er niet bij ware geweest was alles niet gebeurd. Integendeel, zegt de pleiter, als de burgemeester er niet bij was geweest, er zou voor Aarts, Elsacker en van der Horst maar weinig terecht gekomen zijn; er was maar weinig nodig om de boel eerst recht aan den gang te maken; een en ander is voorkomen door de tegenwoordigheid en de kalme houding van de burgemeester.

Thans komt de geschiedenis van de buiging; dienaangaande wordt alleen getuigenis afgelegd door de dames Huijssen, een getuigenis, dat pleiter gehoopt had minder ongunstig zou zijn. Pleiter is zelf geweest naar de gemeente St.-Philipsland, twee rijen huizen en daarvoor bomen; ’t bewuste huis is niet te hoog; het valt moelijk te bewijzen dat die twee getuigen, die midden op straat stonden, het zolderraampje door de bomen niet konden zien, maar wel dit, dat daar waar honderde menschen stonden, vooral zij, die vlak voor ’t raam stonden, dit knikken hebben moeten zien. Niemand heeft het gezien, zelfs Aarts heeft het niet gezien, die anders nog al zo ’n scherpe blik had. Pleiter achtte deze verklaring der dames Huijssen van geen overtuigende kracht. Wat een prachtig excuus zou het voor al de beschuldigden zijn geweest als zij konden zeggen dat zij het gezien hadden.

De burgemeester heeft voor ‘t raam gestaan om tot (gemeenteveldwachter) Boogaard te zeggen: “Doe je plicht!” Kon het niet zijn dat de getuigen zich vergist hebben in het doel van ’t buigen.

Verder bespreekt pleiter het belachelijke procesverbaal over het woordje “jou”. Pleiter gelooft niet dat het gebeurd is.

De woorden van Boogaard, die het briefje niet durfde brengen, waren een zeer onschuldig zeggen van een bangen veldwachter.

Wat betreft de scène voor het huis van A. Grootenboer tegen den burgemeester. De brigadier van der Horst had; zeide deze, wel wat anders te toen dan mede te gaan met den burgemeester. Deze laatste trachtte in ’t belang van A. Grootenboer, van de meisjes en van de gemeente een schikking tot stand te brengen en toen de hardnekkige bakkerin daarin eindelijk toegestemd had, werd deze aan den burgemeester opgedragen.

Om de stelling te wederleggen dat het zonder den burgemeester heel anders zou zijn gegaan, wederlegt spreker door op de handelingen van Kooman te wijzen (zwager van dames Everaers), de jenever uitdeelde enz. , het verwonderd pleiter zeer dezen niet op de bank der beschuldigden te zien.

Kan men nu uit al het gesprokene afleiden dat de burgemeester schuldig is aan een misdaad?

Zal men eene veroordeling moeten wachten, omdat hij als ambtenaar niet in alles met overleg gehandeld heeft?

Had hij zijn goed ontworpen ‘plan de campagne’ goed uitgevoerd, lof zou hem toegebracht zijn geworden, maar nu alles is tegengelopen zit hij op de bank der beschuldigden: die de godheid in ’t verderf wil storten, verblind ze.

Tout savoir c`est tout pardoner. Lang was von Staedel onwillig zijn zwakheid te erkennen; ’s mans verblindheid en onmogelijke spitsvondigheden brachten hem eerder van ’t plan af.

Pleiter twijfelt er niet aan of het Hof van Zeeland, dat bekend staat alle zaken nauwkeurig te onderzoeken, zal dit hier niet over ’t hoofd zien.

Pleiter concludeert tot vrijspraak, daar alleen gebleken is dat hij verkeerde maatregelen heeft toegepast, maar niet ter kwader trouw heeft gehandeld en tot ontslag van rechtsvervolging wijl er geen sprake is van participation noch medeplichtigheid.²

Wat de handeling van L.H.M. Geense betreft, als zou hij hebben opgedrongen en wenken gegeven en beschuldigd was als zou deze de aanvoerder geweest zijn, zegt pleiter dat hij wat nieuwsgierig was; hij had dien dag weinig werk en wilde ook eens kijken wat er bij zijne buren te doen viel. Volgens pleiter heeft Geense zich alleen schuldig gemaakt aan het schenden der beleefdheid; hij heeft zijn gezelschap opgedrongen en is alleenlijk onbeleefd geweest.

Wat het geven van een stomp aan Aarts door Moeliker en Van Blooijs betreft en het dreigen van Teunis Bossers, zegt pleiter dat Aarts niet in zijn ministère was op dat ogenblik, maar blootweg werkman van den deurwaarder was.

Tenslotte de groep binnendragers of binnendringers. Spreker zegt dat het een verwarde boel op St.-Philipsland schijnt geweest te zijn en dat men er eigenlijk het fijne niet van weet.

Na over den aard van het gansche feit gesproken en aangetoond te hebben dat hier volgens pleiters mening van geen rebellie sprake kan zijn, bracht spreker het woord van hulde aan het Openbaar Ministerie, omdat het geen voorlopige inhechtenisneming had geordonneerd, zoals de rechtbank in Zierikzee wel gedaan had. Ook hoopt spreker dat er geen solidaire veroordeling in de kosten zal gerequiteerd worden.

Pleiter concludeert als volgt:

1. tot vrijspraak van allen op grond dat in judicio niet wettig is geconstateerd dat er een vonnis in gewijsde is geëxecuteerd en dat niet is geschied na op wettige wijze betekend te zijn.

2. a. van no. 34, omdat zij doleuze intentie niet is bewezen, dat slechts de     maatregelen door hem ter goeder trouw genomen, slechte uitwerking hebben     gehad.
b. van 33, omdat zij bij de eerste sommatie heeft neergezet.
c. van 4 en 5 op grond dat de discernement ontbreekt
d. van 10, 22, 25, 26, 27 en 32 op grond dat door geen enkele getuige hun     medewerking is bewezen
e. van 20, 23 en 24 omdat slechts door Aarts hun schuld wordt beweerd.

Noten
1) (Jan Johannes Kooman *1832 te Middelburg, was gehuwd met Cornelia Everaers. Hij was de zwager van de dames Everaers die zich in de woning verschansten)
2) Middelburgse Courant 15 maart 1875: Het citaat van advocaat Mr. E.Fokker, betreffende de pleitrede voor burgemeester F.W. Von Staedel werd in deze krant als volgt weergegeven:

Rechtzaken
De 34ste verdachte, de burgemeester F.W. von Staedel onderging een langdurig verhoor waarvan de slotsom in weinige woorden kan worden samengevat. Hij ontkende namelijk schuldig te zijn aan medeplichtigheid aan rebellie of aan plichtsverzuim, Somtalge hem ten laste gelegde uitdrukkingen heeft hij, volgens zijne opgave, of niet, of in een ander verband gebezigd dan waarin men ze nu toelicht. Had men tot 9 uren ’s morgens met de ontruiming gewacht, zoals hij (de burgemeester) verlangd had, dan zou het volk op het veld zijn geweest en ware er niets voorgevallen. Toen hij op het dorp kwam was er reeds een hoop volk bijeen; hij heeft al het mogelijke gedaan om de orde te handhaven, doch hij was maar alleen, en bij het ontstaan van de ongeregeldheden zou hij geen hulp van de militaire macht hebben kunnen krijgen; daarom heeft hij verlangd dat de ontruiming zou gestaakt worden. Tot hetgeen hij ten aanzien van rijksveldwachters gezegd en gedaan heeft, achtte hij zich gerechtigd op grond van artikel 190 der gemeentewet. Heeft hij gedwaald, dan heeft hij dat gedaan in ’t belang zijner gemeente

Ten stelligste ontkent hij voor het zolderraampje een wenk gegeven te hebben tot bevestigende beantwoording der vraag van beneden of men de goederen mocht binnen brengen. “Ik sta voor u - zeide hij tot den rechter – als een doodonschuldige, die zijn plicht heeft gedaan van het begin tot het einde. De heer commissaris des Konings, onder wiens eer ik heb vele jaren mijne betrekking te bekleeden, weet hoe ik de belangen behartigd heb van de bij mijne komst zoozeer verwaarloosde gemeente Sint Philipsland. Ik ben dan ook onschuldig in enige medeplichtigheid in deze zaak”.

Na deze “ontlasting van het gemoed” - zooals de voorzitter het noemde – werd de deurwaarder M.C. van Elsaäcker nogmaals opgeroepen. Deze getuige – die gedurende de zitting bij herhaling door den voorzitter geprezen werd wegens zijn bezadigdheid en doorslaande blijken van takt en doorzicht – verklaarde op grond van ervaring, dat de burgemeester groten invloed in zijne gemeente heeft en het gebeurde ongetwijfeld zou hebben kunnen voorkomen indien hij dit gewild had. Overigens deelde de getuige nog enkele bijzonderheden mede omtrent van den burgemeester tot de ingezetenen zijner gemeente, onder anderen deze, dat eerst genoemde zich somwijlen plaatst tusschen de boeren en hunne arbeiders door laatstgenoemden meewarig te beklagen dat zij: “zoo in het zweet huns aanschijns hun brood moeten verdienen”. De burgemeester hield vol dat hij niet anders heeft kunnen handelen dan hij gedaan heeft, en trad voorts in eenige beschouwingen over de verhouding der partijen in de gemeente en de gemeenteraad, als gevolg van de twee scherp onderscheiden standen van ingezetenen: schatrijken en doodarmen.

Aan die verhouding is het dan ook te wijten dat twee jaren geleden een klacht tegen hem bij den commissaris des konings is ingediend, doch nadat de zaak door twee leden van Gedeputeerde Staten onderzocht was, is hij ten volle in zijne eer gehandhaafd.

Jan Kempeneers


In de Middelburgse Courant van 20 maart 1875 treffen we de
uitspraak aan van de beschuldigde personen uit Sint Philipsland.
    



All rights reserved - © 2007-2016 - Heemkundekring "Philippuslandt" - Realisatie: Kempeneers Multimedia